Villa Pardijn: Een weerzien met mijn favoriete urbex sprookjeshuis
13 JANUARI 2026
Ik kwam deze foto’s weer tegen. Of nee – ze kwamen mij tegen. Soms graaf je in je eigen archief en graaft er iets terug. De herinnering aan Villa Pardijn begon meteen weer te ademen, alsof ik er gisteren nog door dit verlaten huis heen liep.
Het was jarenlang een van mijn absolute lievelingshuisjes qua urbex. Een plek waar de tijd niet alleen stilstond, maar waar de tijd leek te zijn veranderd in vloeibaar cement.
Wat deze plek zo bijzonder maakte, was de onmiskenbare Efteling-stijl waarin het gebouwd was. Je weet wel, dat dromerige, dat net-niet-echte dat juist echter voelt dan de werkelijkheid. Sprookjes, rotsen als muren, kabouters als decoratie, muurschilderingen als uitzicht. Alles was aanwezig. Als volwassene stond ik daar met mijn camera in mijn hand en kon ik het bijna niet geloven: er waren daadwerkelijk mensen die in dit soort echte sprookjeshuizen leefden.
Die hier de krant lazen. Ik vond het machtig mooi. Oneerlijk mooi, bijna.
Het huis was het domein van de familie Janssens. Rocailleurs. Dat is een duur woord voor mannen die rotsen kunnen toveren uit modder en cement. Frans en Alfons. De één stierf al vroeg, de ander pas in de jaren 50. Maar hun fantasie bleef in de muren zitten, vastgekoekt aan de bakstenen.
Frans en Alfons hadden geen gewone woning gebouwd; ze hadden een monument voor de verbeelding opgetrokken. De broers deelden een hersenhelft die alleen in scheve lijnen en organische vormen kon denken. Ze boetseerden hun eigen realiteit uit beton, alsof ze weigerden te wonen in een wereld van rechte hoeken en saaie bakstenen. Het was hun eigen, persoonlijke koninkrijk waar elke hoek een verrassing was en elke muur een verhaal vertelde dat ze zelf hadden bedacht. Een geweldig fantasiehuis, puur voor henzelf, waar de grens tussen vakmanschap en waanzin prachtig vervaagd was.
En als ik heel eerlijk ben: ik wilde dat ook. Ik wilde daar wonen. Ik wilde de vrouw zijn in het unieke huisje, degene die de wereld buiten de poort even kon vergeten. Ik zou het liefst zelf zo’n plek hebben, maar ik zou het nooit aandurven. Te veel gedoe, te veel onderhoud, te veel angst voor de realiteit die aan je ramen komt krabben.
Vandaag de dag is het weg. Gesloopt. Er staat nu een modern complex dat luistert naar de naam ‘Gust’. Een gebouw met deurbellen en strakke lijnen. De sprookjes zijn vermalen tot puin. En toch, als ik naar deze foto's kijk, hoor ik de muren nog steeds een beetje ademen.
